Dossier archief
Dossier De laatste wil van De Coninck
De avond over de cyclus "Zoals" van Herman de Coninck heeft plaatsgevonden. Hier vindt u de gedichten (helemaal onderaan), alsmede enkele van de lezingen die gegeven zijn. Specifiek: die van Koen Bauwens en Suzanne de Werd vindt u in pdf-formaat hieronder. Gaston Franssens lezing wordt eerst elders gepubliceerd en wellicht later hier (check deze plaats).
Op het weblog In Letterland deed Perdu-redacteur Edwin Fagel verslag van de avond. Lees het hier.
Herman de Coninck: http://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_De_Coninck
Hieronder de te bespreken gedichtencyclus.
Zoals
1.
Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen
en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was,
zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis
het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen
zal hebben. Taal? Het maal tien, maal toen dat een woord
kan geven, ja aan wat. Wat wil de dichter
eigenlijk horen? Een eredienst aan gemis voor wat er nog is?
Het cadeau van o aan werkelijkheid: dat ze bijna zo?
O, het zijnde. Zwijgen
is goed in hebben. Papier is goed in krijgen.
Het wordt ochtend. Praatjes van de merel
over alles heen: blokfluit met drie gaatjes.
2.
Zoals ik graag knoflook heb bij lamsvlees,
zo wil ik tabak bij lucht: om adem te kruiden
en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer
mijn laatste.
Ik heb het tijdelijke met het eeuwige
vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie
om te weten dat ik het tijdelijke wil.
Betekenis: dat is wat een blootgewoelde vrouw
aan lakens over zich heen trekt.
Ik trek ze weer weg.
3.
Zoals een grootvader van zijn kleinzoon houdt,
zo legt beeldspraak ergens een arm omheen.
Een beeld moet een paar maten te groot zijn,
als een winterjas. Een beeld brengt werkelijkheid
mee naar huis zoals die grootvader zijn kleinzoon
wanneer zijn eerste meisje hem in de steek heeft gelaten.
Gegeven zijn: sukkelachtigheid en mededogen.
Werkelijkheid probeert te mogen.
Zoals een steen-in-het-water in zijn kringen mag blijven.
Zoals ik ooit boven de Hérault een stuk of tien
libellen zag verblijven in hun l’len. Zie mij zien.
Ik zie de wimpers stilstaan boven mijn ogen.
4.
Ik legde een halssnoer rond je hals
zoals ‘zoals’ rond een zin.
Hij veranderde daarvan, zoals je hals
er langer van werd, hoger keek.
Alles ging een beetje liegen, met oogschaduw
onder haar o`s kwam de werkelijkheid mij vragen
of ik meewou, naar een gedicht of zo.
Nee. Laat het allemaal maar weggegaan zijn
uit mij, beeldspraak, betekenis. Ik blijf wel
achter. Taal een lege zaal.
En ik degene die het licht uitdoet.
5.
Zoals een homerische vergelijking veel volk
meebrengt om te kijken, een samenscholing
van beelden staat te wijzen naar het gebeuren,
eigenlijk is het een soort geroddel –
zo kan ik me voorstellen dat het gebeuren
liever niet gebeurd zou zijn en het vergelekene
liever niet vergeleken. Dat het alleen wil zijn.
Dat het betekenis kan missen.
Missen is een daad van bevestiging.
Ik bevestig dat ik leef. Dat ik alleen leef.
Het is verwant met hebben:
met het hebben van een leeg huis.
Het is twee keer een kunst, ik kan veel
hebben. Ik kan vooral ook weinig hebben.
Vroeger keek je naar de opgaande zon.
Nu naar je vingernagels.
Het is hetzelfde roze.
Uit: Herman de Coninck: Vingerafdrukken. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1997.
