• Contact
  • English

Dossier archief

25-05-2007

Dossier De laatste wil van De Coninck

 

De avond over de cyclus "Zoals" van Herman de Coninck heeft plaatsgevonden. Hier vindt u de gedichten (helemaal onderaan), alsmede enkele van de lezingen die gegeven zijn. Specifiek: die van Koen Bauwens en Suzanne de Werd vindt u in pdf-formaat hieronder. Gaston Franssens lezing wordt eerst elders gepubliceerd en wellicht later hier (check deze plaats).

Op het weblog In Letterland deed Perdu-redacteur Edwin Fagel verslag van de avond. Lees het hier.




Herman de Coninck: http://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_De_Coninck


Hieronder de te bespreken gedichtencyclus.

Zoals

 

1.

 

Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen

en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was,

zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis

het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen

 

zal hebben. Taal? Het maal tien, maal toen dat een woord

kan geven, ja aan wat. Wat wil de dichter

eigenlijk horen? Een eredienst aan gemis voor wat er nog is?

Het cadeau van o aan werkelijkheid: dat ze bijna zo?

 

O, het zijnde. Zwijgen

is goed in hebben. Papier is goed in krijgen.

Het wordt ochtend. Praatjes van de merel

over alles heen: blokfluit met drie gaatjes.

 


2.

 

Zoals ik graag knoflook heb bij lamsvlees,

zo wil ik tabak bij lucht: om adem te kruiden

en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer

mijn laatste.

 

Ik heb het tijdelijke met het eeuwige

vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie

om te weten dat ik het tijdelijke wil.

 

Betekenis: dat is wat een blootgewoelde vrouw

aan lakens over zich heen trekt.

Ik trek ze weer weg.

 


3.

 

Zoals een grootvader van zijn kleinzoon houdt,

zo legt beeldspraak ergens een arm omheen.

Een beeld moet een paar maten te groot zijn,

als een winterjas. Een beeld brengt werkelijkheid

 

mee naar huis zoals die grootvader zijn kleinzoon

wanneer zijn eerste meisje hem in de steek heeft gelaten.

Gegeven zijn: sukkelachtigheid en mededogen.

Werkelijkheid probeert te mogen.

 

Zoals een steen-in-het-water in zijn kringen mag blijven.

Zoals ik ooit boven de Hérault een stuk of tien

libellen zag verblijven in hun l’len. Zie mij zien.

Ik zie de wimpers stilstaan boven mijn ogen.

 


4.

 

Ik legde een halssnoer rond je hals

zoals ‘zoals’ rond een zin.

Hij veranderde daarvan, zoals je hals

er langer van werd, hoger keek.

 

Alles ging een beetje liegen, met oogschaduw

onder haar o`s kwam de werkelijkheid mij vragen

of ik meewou, naar een gedicht of zo.

 

Nee. Laat het allemaal maar weggegaan zijn

uit mij, beeldspraak, betekenis. Ik blijf wel

achter. Taal een lege zaal.

En ik degene die het licht uitdoet.

 


5.

 

Zoals een homerische vergelijking veel volk

meebrengt om te kijken, een samenscholing

van beelden staat te wijzen naar het gebeuren,

eigenlijk is het een soort geroddel –

 

zo kan ik me voorstellen dat het gebeuren

liever niet gebeurd zou zijn en het vergelekene

liever niet vergeleken. Dat het alleen wil zijn.

Dat het betekenis kan missen.

 

Missen is een daad van bevestiging.

Ik bevestig dat ik leef. Dat ik alleen leef.

Het is verwant met hebben:

met het hebben van een leeg huis.

 

Het is twee keer een kunst, ik kan veel

hebben. Ik kan vooral ook weinig hebben.

Vroeger keek je naar de opgaande zon.

Nu naar je vingernagels.

 

Het is hetzelfde roze.

 

 

 

 

Uit: Herman de Coninck: Vingerafdrukken. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1997.